EMBARGO
TOT NA DE ORATIE OP 1 FEBRUARI!!!
Samenvatting van de oratie te houden op
1 februari as. door prof.dr. Femmie Juffer, bijzonder hoogleraar Studie van
Adoptie, Universiteit Leiden, Algemene en Gezinspedagogiek.
(ik begin met een voorbeeld van kinderen in een kindertehuis)
Is adoptie een optie? Dit brengt
mij tot de twee vragen die centraal zullen staan in deze oratie: 1) Is adoptie
een goede optie voor het kind? en
2) Is adoptie een goede optie voor het gezin
waarin het kind terechtkomt? Zijn kind en ouders gebaat bij adoptie? Kan het
kind en kunnen de ouders rekenen op een redelijk normaal gezinsleven met voldoende
mogelijkheden voor individuele ontplooiing of moeten zij rekening houden met
verstoorde gezinsverhoudingen en ernstige gedragsproblemen?
Ik zal trachten een antwoord op deze twee
vragen te vinden door adoptie vanuit verschillende invalshoeken te belichten:
vanuit historisch perspectief, vanuit biologisch perspectief, vanuit maatschappelijk
perspectief. We mogen ook de kinderen uit het kindertehuis (uit het voorbeeld)
niet vergeten. Hoe groeien zij op? Een vergelijking tussen geadopteerde kinderen
en achtergebleven kinderen in een kindertehuis is zinvol en relevant.
[1]
naar adoptie.
historisch
perspectief blijkt adoptie geen moderne uitvinding te zijn, alhoewel dat misschien
wel voor internationale adoptie geldt. In het verleden was adoptie niet alleen
een adequaat alternatief voor een kind dat aan zijn lot werd overgelaten,
maar ook een goede optie voor adoptieouders om hun naam voort te zetten of
hun eigendom te beschermen.
biologischperspectief zijn er uiteenlopende gedachten over de inzet van
adoptieouders. De sociobiologische opvatting over ouderschapsinvestering (Trivers,
1972) lijkt onverenigbaar met de stelling dat adoptie een goede optie is voor
ouders. Er vanuit gaande dat elke ouder onbewust nastreeft zijn genen door
te geven aan de volgende generatie, lijkt de inzet van ouders voor hun adoptiekind
ongerijmd. Aan de andere kant blijkt de mens de predispositie te hebben om
ook voor andermans kinderen te zorgen, en volgens Hrdy (1999) zou deze inzet
van 'hulpouders' ('alloparents') zelfs overlevingswaarde hebben. Ook kan het
biologische gedragssysteem van baby's dat er op gericht is de aandacht van
volwassenen te vangen en vast te houden (Bowlby, 1982), een niet-aflatend
appèl doen op de verzorgingsdrang van niet-biologisch verwante verzorgers.
Niet voor niets heeft de natuur een baby uitgedost met kenmerken die volwassenen
aantrekkelijk vinden (Hrdy, 1999), het helpt ze overleven, soms dus door adoptie.
maatschappijkomt de belangrijke vraag of adoptiegezinnen veel problemen
kunnen verwachten, en of adoptie als optie opweegt tegen het alternatief:
niet geadopteerd worden. Het antwoord op de laatste vraag is snel gegeven.
Uit elke studie naar kinderen die opgroeien in kindertehuizen in ontwikkelingslanden,
komt hetzelfde, trieste, beeld. De kinderen kampen met ernstige ontwikkelingsachterstanden
en gehechtheidsproblemen, zo blijkt uit recent onderzoek. Dat adoptie na een
verblijf in een kindertehuis ook soulaas biedt - in de zin van vooruitgang
- is de laatste jaren ook vele malen aangetoond. In die zin kan adoptie als
een pedagogische interventie in het leven van een kind worden beschouwd.
Het is zinvol vragen over het functioneren
van adoptiekinderen meta-analytisch te benaderen, om zo tot krachtige, 'evidence-based',
uitspraken te komen die de basis kunnen
vormen van het adoptiebeleid of van pedagogische interventies in adoptiegezinnen.
We vonden in totaal ruim 135 adoptiestudies waaraan wereldwijd tienduizenden
geadopteerden meewerkten. Met dit omvangrijke data-bestand zullen we in de
toekomst uiteenlopende vragen kunnen beantwoorden over het functioneren van
adoptiekinderen.
Uit het meta-analytisch onderzoek waarin
adoptiestudies van over de hele wereld zijn opgenomen, bleek verder dat internationaal
geadopteerde kinderen met minder gedragsproblemen kampen dan binnenlands (lokaal)
geadopteerde kinderen, terwijl hun ouders minder vaak een beroep doen op de
hulpverlening. Het zou kunnen dat deze uitkomst deels verklaard kan worden
door het meer open karakter dat inherent is aan internationale adoptie. Interlandelijke
adoptie is zo zichtbaar (omdat het meestal ook interraciale adoptie betreft)
dat het in weinig adoptieouders zal opkomen de adoptie te verbloemen, te ontkennen
of te verdoezelen. Mogelijk draagt dit meer zichtbare en open karakter van
de adoptie bij aan een betere communicatie tussen adoptieouder en kind.
Europa en de niet-Europese landen (waaronder Amerika, Canada en Australië)?
Uit de meta-analyse blijkt dat adoptiekinderen in Europese landen significant
minder problemen laten zien dan adoptiekinderen in niet-Europese landen. Dit
geldt ook voor het beroep dat adoptiegezinnen op de hulpverlening doen. Als
we vervolgens de blik op Nederland richten, dan kunnen we vaststellen dat
Nederland niet afwijkt van het Europese profiel. Het is mogelijk dat deze
positieve uitkomsten te maken hebben met de mate van acceptatie van adoptie
in de meeste Europese landen en in Nederland, of met een steeds beter functionerende
voor- en nazorg.
[1] Bij een meta-analytisch onderzoek worden afzonderlijke empirische studies verzameld over een specifiek onderwerp, in dit geval adoptie, en samengevoegd tot één grote dataset om een totaal-effect te berekenen. Zo’n totaaleffect kan bijvoorbeeld de inschatting zijn van de kans dat een adoptiekind later gedragsproblemen zal laten zien. Deze inschatting is dan gebaseerd op duizenden geadopteerde kinderen die wereldwijd in de diverse adoptiestudies tot nu toe zijn betrokken.