NRC Handelsblad van 10-08-2002
Pagina 3 Binnenland
`Je
vraagt je af waar je bij hoort'
Door onze redacteur Rob Schoof
ROTTERDAM,
10 AUG.
Uit
onderzoek blijkt dat adoptiekinderen als jongvolwassene een grote kans hebben
op psychiatrische problemen en sociaal onaangepast gedrag.
Freek
Gommers heette tot 1977 Hwang-Jung Il. In dat jaar werd hij op 3-jarige leeftijd
geadopteerd door een Limburgs gezin. Een Koreaans kind dat opgroeit in een
,,klein boerendorp'' kan snel tegen moeilijkheden aanlopen, puur en alleen
omdat hij er anders uitziet, zegt Gommers. ,,Er zit één lokale Chinees, maar
verder zie je geen andere gezichten. Ik heb het er in mijn puberteit moeilijk
mee gehad'', zegt de nu 28-jarige Gommers, één van de ongeveer vijfduizend
geadopteerde Koreanen in Nederland. ,,Je vraagt je af waar je bij hoort, en
je bent je ervan bewust dat je niet blank bent.'' Bij hem ging `het' vanzelf
over, ongeveer toen hij 19 was. ,,Ik denk dat het moeilijker is als je op
wat oudere leeftijd bent geadopteerd.''
Uit
een Zweeds onderzoek blijkt dat adoptiekinderen als jongvolwassene in een
westers land een grote kans hebben op psychiatrische problemen. Ze hebben
driemaal zo vaak een psychiatrische ziekte en plegen driemaal zo vaak zelfmoord
als generatiegenoten die niet zijn geadopteerd. Bovendien hebben ze een vijfmaal
zo grote kans om verslaafd te raken aan drugs. Driekwart van de onderzochte
adoptiekinderen was voor hun tweede verjaardag naar Zweden gekomen. De meeste
van hen kwamen uit Korea, India en Colombia.
,,Het
gaat hier om de eerste generatie adoptiekinderen die naar het westen kwam'',
zegt Hans Walenkamp uit het Noord-Hollandse Zwaag, die de afgelopen jaren
verschillende boeken publiceerde over adoptie. Hij en zijn vrouw adopteerden
destijds twee meisjes uit Suriname en Colombia en een jongen uit Korea, die
inmiddels tegen de 30 jaar oud zijn, en met wie het goed gaat, voegt Walenkamp
eraan toe. Ze kwamen enkele jaren nadat de schrijver Jan de Hartog over zijn
twee geadopteerde Koreaanse zusjes had verteld in een show van Mies Bouwman,
in 1968. Zijn noodkreet bracht nog dezelfde avond een heuse adoptiestorm op
gang onder de Nederlandse bevolking.
,,Wij
wisten helemaal niks van adoptie en waren nergens op voorbereid'', zegt Walenkamp.
,,Ik kan me voorstellen dat die generatie veel problemen heeft gehad. Dat
is de generatie waar dit Zweedse onderzoek over gaat. Tegenwoordig zijn ouders
veel beter voorbereid. Ze moeten bijvoorbeeld verplicht een dure cursus volgen,
heel confronterend.''
Walenkamp
signaleert in elk geval één belangrijk verschil tussen adoptiekinderen en
`gewone' kinderen: ,,Adoptiekinderen missen vaak een gevoel van basisveiligheid,
dat de meeste mensen in hun jongste jaren verwerven. Een leven van regelmaat,
met dezelfde gewoontes, dezelfde woordjes, geuren, dezelfde handen, hetzelfde
eten. Dat gebrek aan basisveiligheid komt eruit in de puberteit, als de kinderen
hun vleugels moeten uitslaan. Ze durven vaak niet, hebben angsten, omdat ze
het gevoel missen dat ze `er mogen zijn'. Ze ontwikkelen daarbij een elementaire
woede die zich meestal richt op degene die het dichtstbij is: de ouders.''
Lenie de Fijter, bestuurslid van de Landelijke Oudervereniging Gezinsproblematiek
Adoptie, herkent de bevindingen van het Zweedse onderzoek, al is in Nederland
meer bekend over problemen bij pubers. Volgens haar heeft 20 tot 25 procent
van de adoptiekinderen psychische problemen. ,,Moeite met de gezinssituatie,
leerproblemen, drugs en financiële schulden komen veel voor bij adoptiekinderen,
vaker dan bij in Nederland geboren kinderen. Zo rond hun twaalfde jaar gaan
zij meestal op zoek naar zichzelf en naar hun roots. Adoptiekinderen hebben soms het gevoel
dat ze hier niet thuis horen, ook al doen de ouders nog zo hun beste - vaak
zelfs meer voor hun adoptiekind dan voor hun biologische kind.''
De
Fijter en haar man adopteerden 22 jaar geleden een meisje uit Indonesië, maar
hebben ook een biologisch kind. Hun adoptiekind ging op 15-jarige leeftijd
naar een internaat. Nu is ze 24 en het contact is goed. ,,Vreemd genoeg benauwt
adoptiekinderen vaak de warmte van een gezin, ze kunnen zich emotioneel moeilijk
uiten. Ik heb moeten leren afstand te nemen van haar. Ik denk dat dat voor
veel ouders geldt.''
Toch
is er volgens haar al een hoop ten goede veranderd. ,,Ouders zijn tegenwoordig
beter op de hoogte voordat ze een kind adopteren'', zegt De Fijter. ,,Ook
zijn er nu meer mogelijkheden dan vroeger voor ouders om signalen te herkennen
dat er iets niet goed gaat.'' Bovendien lijken hulpverleners in de geestelijke
gezondheidszorg de laatste jaren meer ervaring te krijgen met problemen rond
adoptiekinderenn, zegt De Fijter.
Een
bekend verschijnsel is volgens ouders van adoptiekinderen dat kinderen die
op jonge leeftijd naar het westen komen, over het algemeen minder gedragsproblemen
hebben dan adoptiekinderen die al bewuste ervaringen in hun geboorteland hebben.
,,Maar dat zegt niet dat zij geen problemen krijgen'', zegt De Fijter. De
Zweedse onderzoekers vonden geen verklaring voor de psychiatrische problemen
bij buitenlandse adoptiekinderen.
Volgens
de Bossche Koreaan Freek Gommers kan de regio waarin het kind terecht komt
meespelen. ,,Ik denk dat adoptiekinderen die in de Randstad opgroeien minder
moeite hebben zich aan te passen in vergelijking met kinderen die in kleine
dorpen in de provincie wonen'', zegt Gommers, die nu in Den Bosch woont en
op de administratie van de Vreemdelingenkamer van de rechtbank in Den Bosch
werkt. ,,In de steden en in de Randstad zie je veel meer Chinezen, Koreanen
of Vietnamezen, maar ook andere allochtonen. Dat je er anders uitziet valt
daar veel minder op.'' Gommers gaat eind september voor het eerst sinds zijn
komst naar Nederland terug naar Korea. ,,Het lijkt me spannend om mijn roots
te ontdekken.''